Verslag Matthé en Roel

Fiets verslag 2004

 

tekst: Matthé ten Wolde en Roel Kerkhof

 

Begin juli rij ik mijn laatste langere duurrit. Omdat ik nog een lift moet regelen om überhaupt straks in Frankrijk te kunnen fietsen, besluit ik naar de triatlon van GVAV te gaan. Daar is hopelijk iemand die nog een plek in de auto over heeft. Met de wind in de rug en een goddelijk zonnetje heb ik Giekerk-Groningen snel achter de rug. De 1/8 wedstrijd is al begonnen, ik zie al wat bekenden aan het posten. Zo ook ene Roel K, die na een paar zinnen zegt dat ik in zijn mobiel wel mee kan.

 

Ik blijf nog wat hangen, bekijk de zwemstart van de kleppers en prijs mezelf gelukkig dat ik niet meedoe. Het heeft immers dagenlang geregend en zo te zien is het water afzichtelijk koud. Daarna koers ik richting Lauwersoog en maak ik mijn trainingsrondje af op 135 kilometer.

Hierna is het uitbollen en spullen pakken. Roel en ik mailen nog wat heen en weer over wieneemtwatmee en voor ik het weet is het zo ver. Zaterdagochtend vetrekken we en al pratend blijkt Roel voor de rondweg te hebben gekozen richting Zwolle, waar we eerst nog hadden gefilosofeerd om over Duitsland te rijden vanwege de aangekondigde files in België, waar men na jaren radiostilte hartje zomer een rigoureuze wegenopknapbeurt is begonnen. Slim.

 

Duitsland komt toch al snel in zicht en we knallen door richting die Schweizzzzz. Daarna la douce France, waar we na stevig doorhalen in de vallei met Bourg d’Oisans als brandend middelpunt stil komen te staan. Een onduidelijke, maar langdurige file die opeens is opgelost. Op de camping houden we zonder het zo af te spreken een wedstrijd wie het snelste de tent op zet (gewonnen) en na een rondje handenschudden gaan we met Adriana en Joost pizza eten.

 

Daags erna staat de rit naar la Bérarde op het programma. Pas om 14.00 uur, dus Roel en ik gaan wat losfietsen. En dat blijkt wel nodig, na een dag zitten in de auto: mijn rug heeft een opkikker nodig. Zonder mijn partner in crime van vorig jaar, Kornelis B alias The Horn, is het vertrek van de camping toch anders. Geen roestige, menselijke sirene die over het terrein davert. Maar we zijn los, op naar de eerste pukkels! Zodra het serieus wordt, gaat iedereen zenuwachtig schakelen en om zich heen kijken. Ik doe net alsof het makkelijk gaat en kijk of ik ongeveer bij dezelfde mensen als vorig jaar zit. Ja. Valt het op dat ik hijg?

“Waar is Esther??”, vraagt Hoite. Precies, hij dus ook. Nee, Esther is er niet. Jan Reijffers wel. Hij trapt lekker door, met een paar jongens die ik niet ken en van wie ik de naam al weer ben vergeten. Eentje blijft snetverderrie maar praten en stevig doorfietsen. Na verloop van tijd blijken Hoite, Jan en ik bij elkaar te rijden. Of nee, Jan is er af. Jan er af? Laten we zeggen dat we verbaasd zijn. Juist waar het wat vlakker wordt laat hij ons gaan. We rijden door, blij dat we even kunnen bijtanken. Maar na een kwartiertje of zo horen we Jan opeens iets zeggen over de omgeving en voordat ik er erg in heb, is hij ervandoor.

 

Dan maar met Hoite verder, hoewel ik die graag achter me laat voordat we er zijn. Ik zie dat hij de hele rit al een slagje te groot rijd. Vorig jaar ook, maar toen zag het er wat makkelijker uit bij hem. Ik waag het erop en vertrek. Het duurt niet lang of ik hoor alleen me zelf. En zie dat ik op tijd heb gekozen: daar in de verte is de finish al. Als iedereen er is, dalen we af. Altijd weer even wennen, maar het lijkt alsof het beter gaat dan vorig jaar.? s Avonds haalt Roel zijn burners te voorschijn en demonstreert hij zijn kookkunsten. Ik lever mijn aandeel en na een handmatig geklokte tien minuten kunnen we eten. Lang leve de 1-2-3-klaar voedselindustrie en de heer K, die ooit heeft gekozen om het maatje Giant onder de gasbranders te kopen. Als diezelfde heer K een blikje Smac opentrekt om zijn maaltijd op te leuken met iets dat voor vlees moet doorgaan, wendt de vegetariër in mij zich even van hem af. Ach, iedereen heeft zo zijn gebrek…

 

Matthé

 

Zeg, een beetje meer respect voor mijn verjaardagsmaal mag ook wel. In huize Ten Wolde mag men dan dagelijks vergast worden op een culinair hoogstandje, tijdens de fietsweek gaat het er dan toch vooral om voldoende energie te tanken. Jarig of niet. Dat je vleselijk gehandicapt bent was ook voor mij een verrassing, maar door in de daarop volgende dagen regelmatig lokale koolhydraatverstrekkende etablissementen te bezoeken hebben we ons op dat gebied toch keurig de week doorgepolderd dacht ik zo (of was het gewoon luiheid?).

 

Hoe het ook zij, ook met smac in de benen is het best fietsen. Dag twee wijst dat onomstotelijk uit, wanneer het dagprogramma een zwaardere ‘etappe du jour’ voor het dit jaar weer grote peloton in petto heeft. De dag begint met de beklimming naar Alpe d’Huez, maar niet via de bekende ’21 virages’. De ultieme uitdaging van elke Nederlandse wielertoerist staat in de vorm van de allesbeslissende tijdrit pas als slotetappe in het tourboek vermeld. Vandaag wordt de top van de Alpe niet brutaal frontaal aangevallen, maar gaan we haar achterlangs besluipen (klinkt wel een beetyje kinky).

 

Gezamenlijk worden vanaf onze standplaats camping ‘Le Colporteur’ in ganzenpas de eerste kilometers richting Allemond afgelegd. Na een korte plas- annex ‘uitleg van de route’-pauze vertrekt het peloton dan via Villard-Reculas op weg naar de Alpe. Net als de dag ervoor trekken Jerzy en Frits er vanuit de start op uit om hun status als klimgeiten alle eer aan te doen. Omdat ik me al weken oververmoeid voel heb ik me heilig voorgenomen het vandaag rustig aan te doen. Ik houd dat enkele honderden meters vol, maar kan me dan toch niet meer bedwingen.

 

Een chronisch probleem dat, evenals mijn chronische vermoeidheid, moeilijk uit te bannen lijkt. Na een ziedende inhaalrace meld ik me bij Esther, Hoite, Jan R., Emile en TeWe. Esther, Jan en TeWe lijken op een bepaald moment te moeten passen, maar op een bepaald moment sluit Esther onverwachts toch weer aan. Sterker nog, ze neemt de leiding van ons groepje en dicteert het tempo. Onze mannelijke trots raakt enigszins gekrenkt, maar omdat we op dat moment niet beter kunnen berusten we ons lot.

 

In het dorpje Huez (nee, niet Alpe d’) ontstaat verwarring over de te volgen route. Terwijl Esther ‘rechtdoor’ roept, kiest ze in een reflex samen met Emile de weg naar links. Hoite en ik schieten inmiddels de eerste meters rechtdoor een steil stukje afdaling in. We verliezen kostbare tijd, want keren blijkt lastig, maar vol adrenaline wordt de achtervolging ingezet. We komen tussen bocht vijf en zes op het bekende asfalt van de klim naar Alpe d’ Huez uit.

 

Terwijl ik naar de wielen van de ontsnapte Esther en Emile toe kruip zie ik een halve bocht verder opeens ook Jerzy en Frits fietsen. Hoe kan dat nu? Het motiveert er een extra schepje bovenop te doen. Waarvoor eigenlijk, vraag je je af, want het is immers geen wedstrijd. De ‘minutes of fame’ die met de snelste beklimming van de dag vergaard kunnen worden, zorgen er echter voor dat fietsweek deelnemers bereid zijn steeds maar weer het onderste uit de kan te halen.

 

Hoe belangwekkend dit wordt gevonden blijkt uit de verhitte discussies die op de koude en winderige Alpe volgen. Frits en Jerzy blijken in Huez rechtdoor te zijn gereden en twee bochten lager te zijn uitgekomen. Volgens hun de enige juiste route en daarom reden genoeg om ons uit de uitslag van de etappe te schrappen. Wij denken echter toch duidelijk begrepen te hebben dat het om de kortste route naar de Alpe ging. Oftewel: beter opletten heren. Tot een definitief verdict is het nooit gekomen. Een uitslag hebben we trouwens evenmin gezien.

 

Na een onderkoelde pauze, waarbij links en rechts nog wat verwarmende accessoires worden aangeschaft in de vorm van arm- en beenwarmers, gaat de tocht via een weg vol gaten verder over de Col de Sarenne (2009 meter), gevolgd door een ziedende afdaling naar de voet van de klim richting Les Deux Alpes. Deze beklimming stond aanvankelijk niet op het programma, maar de energie binnen de groep is zo groot dat niemand wenst deze extra klim te laten schieten. In de kopgroep wordt besloten elkaar niet aan te vallen en rustig gezamenlijk naar boven te rijden. In het zicht van de finish wenst de heer TeWe zich echter niet aan de ‘gentlemans agreement’ te houden en sprint hij, geholpen door een bemoedigend duwtje van Frits, naar de winst. Het was niet zijn bedoeling geweest, verontschuldigde TeWe zich na afloop, het was het duwtje van Frits geweest. Ja, ja.

 

De volgende dag is het al tijd voor de Koninginnerit met de beklimmingenvan de Lauteret, Galibier, Télégraphe, Col du Mollard en de Croix de Fer. Kortom: circa 4000 hoogtemeters over 177 km. Het eerste stuk tot aan La Grave worden de eerste kilometers in twee groepen rustig weggepeddeld. Pas na de algemene hergroepering gaat het spel op de wagen. De afspraak is op de Lauteret op elkaar te wachten en pas daarna de lastige laatste kilometers naar de top van de Galibier te rijden. Een slechte keuze wat mij betreft. Nadat ik in volle achtervolging op Jerzy en Jan (Frits onttrekt zich aan de strijd om op de Galibier toe te kunnen slaan) net te laat aanzet voor de tweede plaats, slaat het wachten in de ijskoude wind bovenop de Lauteret mij in de benen.

 

Een intiem samenzijn met TeWe, Esther en Emile in een klein portiekje – zo leer je je reisgenoten wel van heel nabij kennen – verwarmt de verkleumde ledematen enigszins, maar onvoldoende om de Galibier met goed fatsoen te beklimmen. Boven aangekomen zie ik winterse taferelen. Winterjacks, mutsen, hand- en overschoenen komen te voorschijn uit de luxe volgvoiture van Robert. Maar zelfs met twee paar handschoenen, muts tot over de oren, vijf lagen kleding (thermo shirt, 2 wielershirts, regenjack en windstopper), overschoenen en knie- en beenstukken over elkaar aan, krijg ik het in de afdaling maar niet warm.

 

Hoite dwingt respect af door zijn minimale uitrusting. Voor hem geen muts, hand- en overschoenen, doch slechts twee laagjes beschermende kledij en blote benen. Ik krijg het nog kouder als ik er naar kijk. Volgens hem valt het allemaal wel mee. Zijn jaren in Duitsland vertalen zich blijkbaar in Teutoonse hardheid. Maar misschien heeft hij ook gewoon meer vet op de botten.

 

Op een zonnig terras in Saint Michel-de-Maurienne verzamelen de fietsers die voor het volbrengen van de Koninginnerit kiezen zich weer om aldaar een flink bord spaghetti achterover te slaan. Degenen die de afdaling van de Télégraphe achter een kamikazevrachtwagenchauffeur (leuk woord voor scrabble) hebben afgelegd melden zich met de gezichten getekend door dieselroet en afgesleten rubber. Terwijl vrijwel iedereen dankzij een snelle en efficiënte service, die zelfs de meest geroutineerde fietsweekdeelnemers versteld doet staan, het bord energie heeft ontvangen, meldt ook Jan K. zich nog op het terras. Het wordt niet duidelijk of Jan bewust voor de Koninginne-optie heeft gekozen of dat hij per ongeluk de verkeerde kant is afgedaald, maar met wat inschikken wordt ook voor hem een plaatsje aan tafel ingeruimd.

Tourdirecteuren Harrie (vanwege gezondheidsproblemen helaas voor het eerst sinds jaren niet aanwezig) en Fokke (die op de Galibier is omgekeerd met de andere helft van de groep) hadden ervoor geopteerd het tweede deel van het traject niet de gebruikelijke route naar de top van de Croix de Fer in het routeboek op te nemen, maar een klein omweggetje te maken via de Col du Mollard. De voet van de Mollard blijkt moeilijk te vinden. Terwijl de algemene neiging al richting de bekende route gaat, wenst Gerrit niet te capituleren. Route is route.

 

Als we hem eenmaal hebben gevonden is de vraag; hoe komen we er. Via een lastige afdaling (te voet) van een talud die zelfs voor de meest geoefende cyclocrossers problemen zou opleveren vinden we toch de juiste weg. Gelukkig maar, want zeker de onderste helft van de klim is zeer fraai, met veel haarspeldbochten door een bosrijk gebied. Tenminste, ik vind hem fraai. Jerzy, die jo-jo-end voor mij rijdt, moppert dat hij het maar een klim van niks vindt. Hij prefereert het hooggebergte met zijn weidse uitzichten. Dat kan mij nu juist weer minder bekoren. Dat heb ik na één keer wel gezien.

 

Het enige dat mijn klimpret verstoord is een slecht werkende versnelling. Zodra ik wat kracht zet ratelt de ketting over de tandwieltjes dat het een lieve lust is. Het probleem achtervolgt me al de hele dag. Met een hartgrondige vloek verstoor ik zo af en toe de serene rust die op deze klim heerst. Terwijl Tammoa op de top van de Mollard enkele geplaagde schouderpartijen los masseert (zelfs een korte massage kan dan zeer verfrissend werken), laat ik Frits mijn probleem met de ketting zien. Frits ontdekt al snel het probleem: het achterwiel hangt los in de achtervork. Dat ik dat zelf niet heb gezien. “Een beetje dom”, zou Maxima zeggen.

In de slotklim naar de Croix de Fer geloof ik het wel. Samen met een opmerkelijk ambitieloze Frits worden de laatste kilometers afgelegd. Jerzy meldt zich voor de zoveelste keer als eerste op een berg (dat begint saai te worden), terwijl Esther laat zien iemand van de lange adem te zijn. Op de top is het weer bitter koud. Zelfs Hoite moet dat onderkennen en least daarom graag mijn kniestukken. Maar we zijn trots dat we het volbracht hebben. De lange afdaling campingwaarts vormt de beloning voor alle inspanningen. Daar tref ik TeWe weer, die op de Galibier was teruggekeerd vanwege kuitproblemen. Of was dit een tactisch manoeuvre om de laatste dagen onverbiddelijk toe te slaan?

Roel

Dat van die misser bij Huez, waar jij het over had? Laat het een troost zijn, maar het is meer mensen overkomen. Joost en ik meenden daar zeker te weten dat we omhoog moesten, met als gevolg dat we via een erbarmelijk weggetje snel omhoog gingen en na enig ploeteren ver beneden ons fietsers zagen rondmieren die we herkenden. Ai, foutje gemaakt. Dus ja: Maxima waarde ook in ons rond.

 

En om terug te komen op de kuitproblemen: de jour de repos kwam op het juiste moment voor mijn linkerbeen. Tammoa heeft me eens goed gemasseerd, zodat de doorbloeding weer wat op gang kwam. Met een uurtje wat lichtjes pedaleren kon ik me prepareren op de dag die zou volgen. Want heusch, de kuitproblemen waren geen onderdeel van een bewuste strategie om de concurrentie zand in de ogen te strooien. Maar het doet me deugd dat ik van dergelijke praktijken wordt beschuldigd, want kijk, dan tel je mee.

 

Die concurrentie had trouwens tijdens de rustdag een nieuw stoei pakje aangeschaft in de lokale fietswinkel. Getooid in een niet te missen gele outfit maakte meneer K de blits. Diezelfde meneer K. die niet lang na het vertrek de Col d’Ornon tamelijk zelfbewust opreed. Zo zelfbewust althans, dat ik na verloop van tijd moest passen. En alsof die tik nog niet genoeg was, meende een zwijgzame Hollander (aanwijzingen: shirt en merk fiets) ons groepje te moeten inhalen in een buitengewoon straf tempo. Hoewel, Hollander: bleek later dus een Amerikaan, die zijn fiets van zijn broer had geleend. Een prijzig fietsje, dat wel, met onderdelen die bijna als vanzelf de hoogte in gingen, zo weinig wogen ze.

 

Na deze All American Guy, die qua haardracht duidelijk in de jaren ´70 was blijven steken, was het volgens mij tijd om het Jan R. eens lastig te maken. Helaas dacht hij er hetzelfde over, met mij als slachtoffer. En dus deden we elkaar pijn, waarbij ik in een alles of niets-poging Jan tot mijn verbazing, verbijstering en blijdschap achter me kan laten. Ik zie in de verte nog wel een geel mannetje in beeld komen, maar de top komt wat dat betreft te snel. En dus moet ik de heer K. de eer geven. Nou ja, er moet ook wat te wensen overblijven.

In de afdaling die volgt, blijkt dat Mister America geen daverende afdaler is. Zoals hij zelf in het dal vaststelt: “I’m a terrible afdaler.” Aan de andere kant: in een treintje ging ons cluppie ook in een staf tempo naar beneden, waarbij Hoite met nog enkele hardcore-dalers net als andere keren de zenuwen van de medefietsers en de rest van het verkeer weer ouderwets beproefde. Blijf toch benieuwd naar zijn verzekering.

 

Daarna ging het richting Valbonnais en la Mure. Door die naam ben ik in gedachten bij het gelijknamige tijdschrift, waarin ik die ochtend heb zitten lezen. Een wielertijdschrift met poëzie, mooi dat het kan. Ik probeer me de regels voor de geest te halen die ik die ochtend heb gelezen. Ze waren van Cesare Pavese en werden gebruikt in een gedicht over leven en dood van Pantani.

 

In elk geval, na kilometers nadenken schieten ze me weer te binnen: Donker is de ochtend die voorbij gaat zonder het licht van jouw ogen. Pavese schreef ze voor Constance, een Amerikaanse actrice met wie Pavese kortstondig wat had. Lange tijd hield ze vol dat ze weer bij Pavese zou komen, maar toen ze die belofte vrij harteloos brak, greep hij in een hotelkamer in Turijn naar een pot pillen. Ik denk al fietsende na over die analogie met Pantani, maar kan niet doorgronden niet waarom die regels poëzie, die zo duidelijk door een verliefde dichter zijn geschreven, in een gedicht over Pantani opduiken.

 

De poëzie moet plaatsmaken voor een lunch. Want deze rit zou een tocht worden die je het beste kunt karakteriseren als eentje met veel rust. Voorbeeld: waar ons groepje na de toch beslist niet korte middagpauze denkt ‘kom, laten we gaan’, zien we dat de bediening een tafel verderop dampende borden spaghetti brengt. Waarop wij ook maar weer aan het eten slaan.

 

Daarna doen we Col de Malisol aan, een pittige klim die ik goed doorsta. Ook Col de la Morte is te verteren. Ik heb kennelijk goed getraind, want het klimmen gaat me dit jaar aardig af. Nou moet ik zeggen dat ik dit voorjaar regelmatig heb gedacht aan een rit vorig jaar, de Pontis op. Daar vroeg Hoite, met wie ik een tijdje mee omhoog ging, me na verloop van tijd “wat doe jij hier?” Kijk, dat zijn nog eens vragen die goed zijn voor de motivatie en je doen besluiten om dat trainingsritje in het voorjaar toch maar te maken, hondenweer of niet.

 

Na deze mooie klim richting dood is het doorkachelen naar de camping. Vanwege de drukte op de doorgaand weg besluiten we in kleine groepjes te fietsen, zodat inhalende mafkezen hun voiture ook kwijt kunnen aan de rand van de weg en er niet eerst een van ons de berm in hoeven te drukken. De familie Ten Brinke rijdt in onze combine; vader neemt zoals het hoort een vermoeide zoon in bescherming. Zoon zegt dat hij stuk zit, maar fietst niettemin lekker door. Het laatste stukje blijkt zeker niet gemakkelijk, al was het maar vanwege de gestage tegenwind.

 

Maar Bourg d’Oissans komt weer in beeld. Heer K. en ik overleggen en ja: we gaan vanavond weer de burners gebruiken. Een verrassingsmenu, met mogelijk doperwtjes uit blik! Het wordt nu echt een toneelstuk voor twee kokende heren.

 

Matthé

 

Tja, snedige opmerkingen over het eten hebben we nu wel genoeg gehad. Feit is wel dat de doperwten de volgende dag voor de ereplaatsen meestreden tijdens de moeder alle beklimmingen. De tijden die Marco P., Lance A. en Jan U. ooit op de Alpe op de klokken wisten te toveren worden vooraf uitgebreid bestudeerd, alsmede de versnellingen waarmee de heren dit deden en welk vermogen per kg lichaamsgewicht dit opleverde. Die P. bleek eigenlijk maar een zwam mannetje. Durfde hij wel met zo weinig kilo’s?

 

Een realistischer vergelijking is echter de tijd die Arnold K. ooit wist te realiseren. Dat was in de 49 minuten geweest. Arnold bracht eerder in de week nog een verrassingsbezoek aan het campement de cyclisme Groningue, bij welke gelegenheid hij alle lovende woorden over deze prestatie nog eens als een warme douche over zich heen liet komen. Zou hij daarom zijn visite hebben afgelegd?

 

De tijd van Arnold blijkt aan het eind van een zware week nog minimaal een jaar langer in de boeken te kunnen blijven staan. Nadat in het peloton ieder zich op zijn of haar eigen wijze heeft voorbereid op de Alpe der Alpen– even losrijden of rechtstreeks vanuit de tent -, is het Jan R. die het traject naar de eerste bocht leidt. Vervolgens is het echter Jerzy die het commando overneemt en per bocht steeds verder uit het zicht verdwijnt.

 

Ik bevind me al snel op de tweede plaats en kom tot de ontdekking dat de Alpe toch altijd maar weer een k*tklim is. Mijn eerste beklimming eindigde drie jaar geleden na 1 uur en 11 minuten. Een jaar later ging het tijdens de Marmotte een stuk beter. Weer 1h11, maar dan na 160 km fietsen en helemaal tot aan de officiële finish. Dat is dit jaar weer het doel en ik ben wel benieuwd wat ik kan. Natuurlijk met in het achterhoofd de contre-le-montre die enkele dagen later in de Tour zal plaatsvinden. Want wat is nu het verschil tussen de echte kleppers en een zielige krabbelaar als ikzelf.

 

Om dat verschil zo pijnlijk mogelijk onder ogen te krijgen wil ik voluit gaan. “F**k”, denk ik dan ook wanneer blijkt dat die achterlijke Fransozen het laatste traject door Alpe d’Huez hebben geblokkeerd met hun wekelijkse marktje. Hebben ze dan helemaal geen respect voor die Hollandais en hun persoonlijke queeste naar persoonlijke roem? Na een kleine 54 minuten moet ik mijn horloge stilzetten. Jerzy is dan al even boven. TeWe is door de doperwten naar plaats drie gestuwd. In welke volgorde iedereen daarna bovenkomt ontgaat me een beetje (waar blijft de officiële uitslag?), maar het valt me op dat iedereen vrij vlot naar boven klimt. Ook Anne-Frank weet als laatste de Alpe te bedwingen. Hij moest ook wel nadat hij een paar dagen eerder een wielershirt van de Alpe had aangeschaft. Niet finishen betekende immers de trui weer terugbrengen.

 

TeWe vindt boven op de Alpe dat ook hij na zijn sterke optreden een nieuw stoeipakje mag uitkiezen. Het wordt uiteraard een outfit in de kleur blauw. In de kleuren van Italia koerst hij nu door het Friese land door de autochtonen nageroepen: “Sjoch, dêr giet Matteo.” Bij het gezamenlijke afscheidsdiner blijkt de fietsweek hard te hebben toegeslagen. Pizza’s en salades vinden maar moeilijk de weg naar de rechtmatige eigenaar, want wat was er ook alweer besteld? Na nog een laatste rondje door Bourg d’Oisans, dat dankzij de initiatieven van de lokale vereniging voor volksvermaken bruist van het leven, wordt voor het slapen gaan al links en rechts afscheid genomen, want voor menigeen vangt bij het ochtendgloren al de terugreis naar Nederland aan.

 

Ook TeWe vertrekt vroegtijdig, vanwege ziekte thuis. Hij zou met mij mee naar Le Beaujolais, een cyclosportive in, u raadt het al, de Beaujolais, maar besluit een dag eerder weg te gaan. Bij Anne-Frank in de auto blijkt nog een plaatsje over. Dan maar alleen er heen. Frits zal ook aan de start verschijnen. Of niet, je weet het bij hem maar nooit. Als ik op zondag de auto in de finishplaats parkeer zie ik nog een auto met Nederlands kenteken. Ja, Frits is er toch. Hij heeft bij de boer geslapen waar hij wijn voor thuis heeft ingekocht. En ruimschoots heeft voorgeproefd.

 

Na een half uur koers raak ik Frits kwijt.Op het moment dat het koppeloton scheurt – ik bevind mij aan de goede kant van de scheuring aan de staart van de groep – komt een motard vertellen dat we verkeerd zijn gereden. Ik keer meteen om, maar het grootste deel van de groep rijdt door (en wordt via een alternatieve route naar het juiste parkoers geleidt, hoor ik later van Frits). Terug op de rotonde waar het fout is gegaan weet niemand de juiste route. Terwijl bijna iedereen als lemmingen en zonder zeker te weten dat het de juiste richting is een afslag neemt, blijf ik wachten. Een fatale beslissing. Na een paar minuten van hot naar her te zijn gestuurd wil ik er al mee kappen. Dan maar snel naar huis.

 

Maar dat is toch ook zonde. Toch maar rijden. Na een solo van 150 km (en lekker veel inhalen) bereik ik dan na vijf uur en drie kwartier de finish. De volgende keer toch maar wat rustiger rijden. Ik geloof dat het wel een mooie streek is. De auto van Frits is inmiddels weg. Hij blijkt te zijn uitgestapt nadat hij uit de kop was gelost. Ik neem nog even een ijskoude douche en ga dan ook op weg richting de lage landen. Rond Metz word ik drie keer geflitst. Het deert me niet. Ik weet dat Franse boetes in Nederland toch (nog) niet worden geïnd. De acht uur in de auto terug na een zware koers vallen me mee. Pas rond Düsseldorf slaat de vermoeidheid toe en rijd ik prompt verkeerd (en vindt dan de juiste route uit het Dusselse dorp maar weer eens). De kaarsrechte A31 brengt verlichting. Met 180 km/uur kan ik mijn gedachten laten wegdromen bij de afgelopen fietsweek. Het is weer mooi geweest.

 

Roel