Verslag Jansen en Jansen

Fietsweek 20 2003

2003: Barcelonnette Fietsweek Jansen en Jansen op de fiets

jansenjansen

Een weekje fietsen in Frankrijk, het leek ons wel wat. Met 3000 en nog wat trainingskilome-ters in de benen stapten we in de auto voor een rit die zo’n 14,5 uur zou duren. Je kletst wat, je zingt wat mee met de cd’s die Kornelis bij zich heeft gestoken en vraagt je ondertussen nogmaals af of het eigenlijk wel kan: in het pannenkoekplatte Friesland trainen voor bergrit-ten.

Op dus naar naar Barcelonette (bij Gap linksaf), niet te verwarren met het nabij gelegen Bar-cilonette (bij Gap rechtsaf). Daags na aankomst konden we ondervinden of je in de Franse Alpen vooruit kunt komen – of nog beter: omhoog – met 39×25 als kleinste verzet. Col de la Cayolle stond op het menu, een prachtige klim met een lange aanloop. Halverwege de col krijg je een hallucinerende ervaring, als je een flink stuk op het vlakke kunt rijden. Wat een kracht en snelheid opeens! Wat een souplesse!

De euforie bleek van korte duur. Na het bruggetje als oversteek naar de andere kant van de vallei werd het andere koek. We lieten het ruige gebergte, met indrukwekkende ravijnpartij-en, achter voor lieflijk groene alpenweitjes. Gek genoeg ging het juist hier pittig omhoog, zo-als Tourdirecteur Fokke me al had gewaarschuwd. Gelukkig viel er tussen het geploeter door genoeg te zien. Een heuse bergmarmot bijvoorbeeld, een echte.

Hoe je kunt zien dat het een echte is? Echte piepen al voordat je er op staat.

Bovenaan gekomen blijken er – heel gek – al wat fietsers te zijn. Ik noem een Jerzy, een Ben, een Renze. Zelfs Henk Por, die had ‘vergeten’ zijn tandjes aan te wisselen en als epi-goon van Hinault of Rominger met een onmogelijk verzet rondrijdt, duwt zichzelf de moeilijk-ste passages over. Na wat te hebben gezond op de top draaien we de wielen om en gaat het via dezelfde weg weer richting camping. ‘Fysisch resultaat 0’, zegt de andere Tourdirecteur Harry er later achter een groot glas bier over. Maar toch: de eerste 72 kilometer op de teller!

Volgens de geruchtenmachine (Frits) had Gerrit ’s avonds een welkomstvuurwerk afgesto-ken. ‘Moet je wel in je stukje zetten hoor, want ik heb er mooie foto’s van die er goed bij kun-nen. Wist je dat hij zijn arm er zelfs bij heeft bezeerd? Echt hoor, zó’n brandplek.’ Gerrit ont-kent later echter ten enenmale. ‘Ik lag in mijn bed en weet van niks’, zegt hij treffend. Daarna wijdt hij uit over ons. Wisten we bijvoorbeeld al dat wij Jansen en Jansen worden genoemd?

Als iedereen keurig gehoor geeft aan de overtuigende lokroep van Kornelis (alias The Horn), keutelen we de volgende dag rustig richting Col de Vars. Waar diezelfde Kornelis een nieuw, kek NTB-pakje demonstreerde en Renze als wereldkampioen de fiets besteeg, kozen som-mige anderen voor een zwart tenue met een design van wit kringelende zweetplekken. ‘Heel inspirerend’, om de helaas te vroeg overleden modekoning Frank Govers maar even te cite-ren.

Aan de voet van de Vars demarreert Frits direct, niet lang daarna achtervolgd door een ner-veuze Jerzy die pas na een flink aantal stijgingskilometers in de gaten heeft dat Frits zich achter een camper heeft verstopt. De groep spat al snel uit elkaar. Als mieren krioelen we over de weg. Het is ieder voor zich, want de Col de Vars mag er zijn. Toch is Frits aan de top onverbiddelijk: in zijn jacht op goed fotomateriaal deinst hij er niet voor terug om een paar mensen het laatste stukje opnieuw met hun tong op hun voorwiel te laten fietsen. Altijd leuk voor de familie thuis.

Na een mooie afdaling gaat het naar Guillestre, Embrun en ten slotte Savines, waar een ca-fé-eigenaar niet alleen het lef heeft om 5 euro te vragen voor een halve liter cola, maar ook nog eens eist dat er gezamenlijk werd afgerekend. De hufter. Een akelige voorbode voor een al even akelige pukkel, Col de Pontis.

Hier is ’tie dan, zegt Gerrit triomfantelijk als we bij deze Pontis aankomen. ‘Een pittige hoor!’ En inderdaad. Voor het eerst doemen, vlak voor ik boven ben, akelige gedachten over af-stappen en pauzeren in mijn hoofd op. Natuurlijk geef ik er net als de rest van de groep niet aan toe, zodat ook ik met een exploderende rooie kop de laatste meters achter me laat. Nog net op tijd om even later drie mannen (‘homo’s’, zei een deskundoloog in de groep) in een jeep te zien aankomen. ‘Jullie staan voor mijn ingang’, zei een van hen. Waarna hij gas gaf en een weiland in stoof. Wat zouden ze daar nou gaan doen?

Was de Pontis akelig om te beklimmen, de afdaling is ook allerminst plezierig. Gapende ga-ten, diepe kloven, scherpe bochten, grind en zand op de weg – het kan niet op. Iedereen rijdt op zijn volstrekt eigen wijze naar beneden, zodat er geen ongelukken gebeurden. Onderaan gekomen heeft Hoite er nog zin in. Wegkapitein Gerrit roept hem tot de orde. ‘Dat iedereen je nog kan volgen wil niet zeggen dat het nog wat harder moet, hoor.’

Niet lang daarna springt Kornelis B. weg. Hij kan zijn aandriften niet langer beheersen, met die heerlijke straffe tegenwind recht in het gezicht. Het lijkt Fryslân wel! Na een tijdje rij ik naar hem toe, Jansen hoort immers bij Jansen. Daarna vindt Jerzy dat hij niet kan achterblij-ven. Een tijdje stoempen later begint het gevecht tussen Jerzy en Kornelis, die met de haven in zicht moest buigen.

De twee cols deden een beste aanslag op de bevoorrading. Diverse mensen op het laatste stuk naar huis worden geveld door een hongertik. Renze bijvoorbeeld rijdt spoorslags de campingwinkel binnen, waar hij uit de schappen begint te eten voordat hij afrekent. Aan de hand van de wikkels wordt de rekening opgemaakt. Gelukkig is de campingbaas wielrenners gewend.

Maar zo soepel als de winkelmevrouw (drietalig, universitair opgeleid) is, zo onverbiddelijk blijkt de badmeester, een verdwaalde, blonde bedatleet die zijn mond alleen opent als je in een lange zwembroek aankomt. Terecht, want dat kan natuurlijk niet. Zwemmen doe je in een korte zwembroek. Ordnung muss sein.

Maar goed, het zwembad is heerlijk. Elke dag na de rit even badderen en langs de kant bij-komen – beter kun je je niet wensen. Alle hulde voor de toerdirectie en zeker ook voor pro-grammaleider Gerrit. De organisatie is elke dag voortreffelijk. Door de gesprekken die ik soms opvang over de juiste route (‘dan moet je daar na zo’n 3,5 kilometer linksaf en bereik je na 29 kilometer de top, daarna is het afdalen tot … en moet je rechts bij het kerkje linksaf.’ ‘Oh, ik zou verwachten dat het maar twee kilometer is en de route is trouwens verlegd hoor je moet nu bij de groentewinkel op het kruispunt met de afslag naar … nemen’) beleef ik alle fijne autoritjes uit de tijd dat ik met mijn ouders op vakantie moest opnieuw. Dank daarvoor.

Als je twee cols op één dag kunt bedwingen, kun je er dan ook drie op één dag doen? Die vraag gingen we dinsdag beantwoorden. Kornelis had te langen leste wederom een keuze kunnen maken uit zijn onmetelijke garderobe en riep met een geslaagde imitatie van een bronstige eland iedereen weer om 10.00 uur bij hem. Tijd om te vertrekken!

Het was wederom bloedverziekend heet toen de groep aan de voet van de Col d’Allos aan-kwam. Met drie cols op het menu ging iedereen voorzichtig om met zijn krachten. Eenmaal boven ging een aantal weer terug, na van de restauranteigenaar gehoord te hebben dat ‘he-laas, helaas’ vandaag de waterleiding kapot was, zodat iedereen wel iets moest kopen als hij zijn voorraden wilde aanvullen. Het excuus werd gelukkig zonder al te veel theater aange-voerd, omdat iedereen wel aanvoelde dat de eigenaar deze mededeling elke dag weer her haalt.

Na Col d’Allos is het aanpezen naar de Col des Champs. Voordat we aan deze klim van elf kilometer beginnen, stoppen we bij een restaurant aan de markt. Wie een bakje frambozen van maar liefst 4 euro koopt, krijgt er ‘gratis’ een meloen bij. Ik doe net alsof ik niet rekenen kan en koop de handel. Ik deel de meloen met Adriana en we beginnen een gesprek over brood en banket bakken en kinderen.

Niet veel later duren de elf kilometers van de Col de Champs voor mij wel heel erg lang. Is dat omdat er met de Franse slag is gemeten of ben ik het eerste stuk te hard gegaan? Hoite kijkt in elk geval in het begin van de klim heel gramstorig naar me als ik een tijdje met hem mee rij. Prettige dag verder hoor, Hoite. Veel plezier ook. Een slokje Finale van Born helpt me er weer bovenop. Omdat het goddelijk weer boven is, kan iedereen op elkaar wachten. Er wordt gegeten en gedronken, terwijl Kornelis kennismaakt met een knappe Italiaanse van naar schatting 80 jaar. Ciao.

Hierna stoten we door naar de Col de la Cayolle. In het dorpje vlak voor deze beklimming, die volgens de kenners van deze kant niet te vergelijken is met de kalme, plezierige klim van de kant van Barcelonette, is nog een laatste pitstop. Tot verbazing, verbijstering en ontzet-ting van een Frans vrouwtje dat ons vanaf een balkon gadeslaat, steken we vanaf het plein-tje één voor één de weg over om vanaf een wat beschutte stenen trap te plassen. Ook de vrouwen doen mee, omdat het dorpsrestaurant niet geopend is. De Franse madam kijkt ons aan in de hoop dat blikken kunnen doden, maar als dat niet lukt roept ze haar tekst vanaf haar balkon het zwarte gat van haar woonkamer in. Daar klinkt nu en dan wat gebrom, waar-schijnlijk van manlief vanachter de krant. Mooi toch, dat we op deze manier een zwijgzaam echtpaar aan gespreksstof kunnen helpen.

Direct na het verlaten van het dorp voelen de benen niet goed. Tourdirecteur Harry, die ik meestal in mijn buurt weet, roept dat ik moet aanpikken als een groepje onder leiding van Gerrit voorbij steekt. Ik vind het niet zo’n briljant voorstel en kies mijn eigen tempo, al is dat een wat sjieke benaming voor mijn geploeter. Edwin, die ik ook ditmaal aan de voet van de beklimming weer voorbij zag razen, besluit bij het laatste huis van een groepje woningen te pauzeren.

De Cayolle duurt lang, heel lang. Mijn respect voor profwielrenners groeit. Waar goedwillen-de amateurs als ik drie cols proberen te overleven, zijn zij actief bezig met een wedstrijd. Een flink deel althans. En dat dag na dag. Ik denk herhaaldelijk aan de mantra van Tim Krabbé, die stilletjes ‘Batúwú Griek-Griek’ voor zich uitprevelde als hij stuk zat. Hier en daar draait de weg zo de luwte in en op die stukken is werkelijk geen zuchtje verkoelende wind. Het is god-vergeten warm.

Ik pak nog een blokje Born en spoel wat mierzoete Finale weg met extra water. Batúwú GriekGriek. Ik ga verder. Een bergmarmot bekijkt me van een afstandje en draait theatraal zijn rug naar me toe. Daarna begint hij te piepen. Ik denk: is het dan zo erg met me? Ver-moedelijk wel.

Niet veel later zie ik Jan van der Sleet gehurkt aan de kant van de weg zitten. Blij met elk excuus om even te stoppen, vraag ik of hij hulp nodig heeft. Maar nee, hij laat zijn brandend hete voeten afkoelen in stromend water. Ik probeer hem nog maar weer eens te verleiden om z’n 27-kransje aan mij te geven, ik vraag het hem per slot van rekening voor de grap elke dag. Maar ook vandaag heeft hij er geen zin in. Tja, dan ga ik maar weer door. Gaat het nou beter of helpt het vooral psychologisch dat ik de top binnen handbereik zie komen?

Op de Cayolle blijkt dat ik niet de enige ben die het zwaar heeft gehad. Bij het afdalen doet eerst van alles me pijn. Mijn voetzolen, mijn schouders en mijn nek. Bij het dorpje halverwe-ge stoppen we om voor het laatst wat drinken te tanken. Bij de meesten beginnen de praatjes al weer te komen.

Onderweg naar de camping besluit ik nog maar weer eens om donderdag niet de rit van 201 kilometer te doen. In dit gebied met 39×25 rondrijden kan wel, maar je rijdt dan nooit op re-serve. Dat moet volgens mij wel als je 201 kilometer wil trappen. En ik heb al helemaal geen zin om het gevecht met de Cayolle, donderdag opnieuw de laatste beklimming, nog eens aan te gaan. Dit keer ben ik net niet overleden of in elk geval klinisch dood verklaard en dat wil ik graag zo houden.

Woensdag rustdag. Alles gaat een slagje langzamer dan de andere dagen. Uitgebreid ontbij-ten en een bakje koffie drinken van Jansen en de rest van de dag is het recupereren, recu-pereren en nog eens recupereren. In Embrun kiezen we voor een lunch en zien we met een mengeling van ontzag en afkeer hoe drie mensen een tafel verderop een enorme vracht vlees verstouwen. Het verschijnsel groenten kennen ze niet – het is niet besteld.

De Koninginnerit staat de volgende dag op het programma. Niet voor mij, want ik weet bij de start al dat ik niet verder ga dan de eerste beklimming, de Col de la Bonette, die met 2802 meter letterlijk het hoogtepunt van dit weekje fietsen is. Aan de voet van deze berg worden we ingehaald door een Italiaanse schone, die gekleed in een wit tenue in rap tempo omhoog gaat. Haar aanwezigheid (kleding) inspireert een paar lieden tot grootse daden, want ze be-sluiten een tijdje met deze dame op te fietsen.

Ik besluit Kornelis, die snetverderrie opeens wèl het 27-kransje van Jan mag leasen, en Menko achter me te laten. Zij willen wel de hele rit doen en rijden daarom puur op reserve. Omdat de weg zich omhoog kringelt, hoor ik de twee nog lange tijd met elkaar kletsen alsof ze elkaar op straat spreken. Later blijkt dat Menko als een ware Zen-boeddhist de hele rit heeft gedaan op twee reepjes en vijf vijgen. Het is een bewijs dat je het lang kunt volhouden op weinig voedsel als je je hartslag houdt in de zône die hoort bij vetverbranding. Maar toch, ongelooflijk. Met zo weinig zou ik het toch niet kunnen, geloof ik.

De Col de la Bonette is een prachtklim. Ik geniet van het uitzicht en bedenk hoe heerlijk het moet zijn als je hier met de atb bent. Er lopen allerlei wandel- en trekkerpaden door de vallei omhoog. Als je daar toch zou kunnen fietsen. Misschien iets voor een volgende keer. Onder-tussen haal ik een bejaarde Amerikaan in, die gek genoeg met een spiegel op fiets rijdt. Dat zal toch niet vanwege het vele autoverkeer hier zijn, lijkt me. Niet lang hierna word ik tot mijn verbazing staande gehouden door arbeiders die aan de linkerkant van de weg wat steenval opruimen. Jammer, zo ben je natuurlijk direct uit je ritme.

Na dit oponthoud wordt de weg even wat vlakker. Het is heerlijk doorrijden op een prima weg. Het landschap wordt hoe langer hoe kaler. Dit begin echt te lijken op de bergtochten die ik voor mijn (ahum) ‘sportcarrière’ zomers maakte. Mijn motivatie groeit nog meer als ik in de verte Renze zie. Vlak voor het toetje, een paar honderd meet van ik meen 18 procent, krijg ik hem te pakken.

Bij de paal die aangeeft waar we zijn, kijk ik uit over de andere kant van de berg. Een prach-tig dal. Even begin ik te twijfelen of ik toch niet verder zal gaan. De groep die hier voor kiest, is onverwacht groot. Als zij het kunnen, waarom zou ik dan…Voor een paar voorzie ik een zware dag, een voorspelling die ook uitkomt als ze thuiskomen terwijl het al een flinke tijd schemert. Het maakt hun prestatie eigenlijk alleen nog maar indrukwekkender, al sta ik nog steeds achter mijn beslissing.

De afdaling van de Bonette is heerlijk, hoewel opnieuw duidelijk wordt dat ik dit onderdeel nog niet helemaal in de vingers heb. Onze stop is bij restaurant 2000, waar ze heerlijke qui-ches serveren. Daarna is het uitrollen naar de camping, hoewel er in het dal nog een flinke bries staat.

Die avond is de laatste keer dat iedereen er is. De hele club volgt de weg naar het restaurant die Jansen en Jansen de hele week al hebben afgelegd. Naarmate de zon plaatsmaakt voor de avondschemer en er nog maar een paar zijn binnengekomen, zie je hier en daar mensen op hun stoel schuiven. Waar blijven die bikkels van de Koninginnerit nou? Waar is Joost en redt Sybo het?

Vrijdag doen we als toetje nog een bescheiden ritje. In de laatste kilometers maken Fokke en Harry aan de kop van een groep tempo om Kornelis en Jerzy te achterhalen. Harry blijkt nog over een flinke reserve te beschikken, want hij staat nauwelijks toe dat iemand hem op kop aflost. Zijn inspanningen worden beloond: als eerste mag hij het terrein van de camping op-draaien.

En dan is de fietsweek opeens afgelopen. Jansen en Jansen bouwen af in het restaurant en verlaten de volgende ochtend stipt om 07.00 uur de camping. Kornelis zal me confronteren met zijn verzamelcd’s die het beste zouden zijn van de eighties en nineties. Ik maak kennis met Kajagoogoo en veel meer van dat moois. En vooruit, halverwege België verras ik me zelf door tweestemmig met Kornelis ‘Tonight, I celebrate my love for you’ te zingen. Hoor Jansen en Jansen nu eens.

Matthé JUBILEUMJAAR, klik hier voor de foto reportage 2003.