Verhalen 2008

Zondag 29 Juni 2008

 

Tekst: Lieuwe Hoekstra

 

Briançon – Col du Granon (2413m) – Briançon

 

Het was ongeveer 6 uur in de ochtend, een strak blauwe hemel maar desondanks was het qua temperatuur nog wel een beetje fris. Samen met Gerard vetrok ik vanuit Dole waar wij in een hotel hadden overnacht richting Briançon, standplaats van de 25e fietsweek. Het was opmerkelijk rustig op de snelweg en dus konden we lekker vlot door rijden. Halverwege nog één noodzakelijke tussenstop en zo arriveerden wij rond het middaguur op camping ‘Les 5 vallées’.

 

Tijdens het openen van de autodeur voelde ik meteen al dat er een behoorlijk temperatuurverschil was met de plek waar wij een dag eerder waren vetrokken. Normaal gesproken ben ik iemand die redelijk goed met deze warmte kan omgaan maar zelfs ik had moeite met acclimatiseren. Zo… eerst maar rustig m´n tent opzetten, dat kon nog mooi want op papier stond dat de eerste etappe pas om half twee verreden werd. Maar voordat iedereen de hand was geschud en of was gezoend was er alweer een half uur voorbij. Gelukkig stonden de stokken daarna snel overeind en was er zelfs nog even tijd over voor een snelle lunch. Ondertussen kon ik mooi m´n bidons vullen. Waar had ik de Maltex verstopt? Pfff… natuurlijk lag dit helemaal onderin de rugzak. Maar niet al te sterk mengen, ik was inmiddels behoorlijk heftig aan het zweten. Voor alle zekerheid ook nog maar een paar reepjes achterin de trui. Ready!

 

Eindelijk konden we dan vetrekken. Maar voordat dit een feit was moest het peloton traditiegetrouw eerst nog op de foto. Wat wist ik van deze rit op de zondag? Zoals gewoonlijk op de eerste dag (maar) één beklimming. Ik had het programma thuis uitgeprint en een klein beetje bestudeerd. Col du Granon: De eerste 5 kilometer niet al te lastig maar daarna tot aan het eind toe alleen maar stijgingspercentages tussen de 7 en 10% met zelfs uitschieters daarboven! Dus in het laatste stuk weinig gelegenheid om even op adem te komen. Dan nog maar even voor alle zekerheid een ervaren coureur uithoren. Inderdaad een zeer lastige col dat was ongeveer de strekking van het verhaal. Onderweg, vlak voordat de klim begon, konden wij in een klein dorpje nog even onze bidons bijvullen met heerlijk koud water afkomstig uit een klein fonteintje. Dit kwam zeer gelegen want het was inmiddels voor het gevoel op het heetst van de dag geworden. Even later stonden we dan gezamenlijk aan de voet van de beklimming.

 

Nu was het ieder voor zich. Rustig beginnen en langzaam in m´n ritme komen dat is wat mij het best ligt en dat had ik nu dus ook voor ogen. Maar als snel merkte ik aan m´n hartslag dat het tempo wat ik reed behoorlijk hoog lag. Te rap begonnen? Iets inzakken dan? Ach… ik voelde mij nog steeds goed en dit was ook de enige beklimming voor vandaag. Weinig vlakke stukken inderdaad, dat klopte helaas. Dan maar een beetje op adem komen in de haarspeldbochten. Halverwege ergens fietste ik in de buurt van Frits, Marcel en Esther. Het werd inmiddels al wat zwaarder. Ik was onderaan in alle haastigheid natuurlijk vergeten m´n teller te “re-setten” dus probeerde ik nu ondanks het zweet in m´n ogen de kilometers af te lezen op de paaltjes in de berm. Langzaam begon het iets af te koelen. We kwamen steeds hoger en de bomen waren inmiddels onder mij verdwenen. Frits fietste nu alleen nog voor mij. Prachtig mooi was het om mij heen, hier en daar zag ik in de verte zelfs een paar bulten sneeuw… of zag ik dat… Nee inderdaad echte sneeuw, het witte spul lag hier nu ook vlak naast mij in de berm. Maar waar was de top nu toch?! Afzien was het en de benen deden inmiddels behoorlijk pijn. Eindelijk zag ik daar dan iets van een blokhut, daar moest de top ergens zijn. Frits was vanzelfsprekend niet meer bij te halen en de anderen zaten vlak achter mij. Nog één lang recht stuk en een bocht naar links en ik was er. Blij en vooral koud was ik. Snel een beschut plekje opzoeken en gelukkig had ik m´n windstopper meegenomen. Eén voor één kwam iedereen vervolgens boven aan de top, het merendeel opgelucht dat ze het hadden gehaald. Zwaar was deze eerste beklimming geweest voor bijna iedereen.

s´Avonds was er in de kantine op de camping gelegenheid de finale van het EK voetbal op een televisieschermpje te volgen. Ik als redelijk groot voetballiefhebber heb nog een uiterste poging gedaan maar uiteindelijk moest ik mij na een kwartier in de eerste helft toch overgeven…

 

Tortilla’s, tattoos en tarps

 

Tekst: Anneke Kluiter

 

Denkend aan Vera ligt Maarten in eenzame bronst onder de zonnebank. Hij verlangt naar haar en besluit de trein te nemen naar de Franse Alpen waar Vera de ene col na de andere verslindt. Wellicht kan hij in Briançon een fiets huren en met haar mee fietsen. Dit alles omwille van de liefde..

 

Het tentenkamp is op natuurlijke wijze ingedeeld. De stelletjes hebben de flanken ingenomen en het loslopend spul is door de tentencoördinator verzocht om zich in de binnenkring te installeren. Vera neemt bezit van de uiterste hoek van de nederzetting en begint haar fiets te pimpen. Zij heeft haar eigen programma. De achtertandwielen hoeft ze niet te vervangen, zij fietst de cols op met dezelfde tandwielen als op haar woon-werk fiets. Bij de andere fietsers worden na de eerste col, waar menigeen zich in de hitte huilend naar boven trapte, de tandwielen steeds groter. De plaatselijke fietsenzaak beleeft gouden tijden. Al snel was er geen 29 of 30 meer te krijgen.

 

De opmaak voor de dag begint al vroeg bij de triatleten. De eerste ritsen, stemmen en voetstappen hoort Vera al voordat de zon op haar tent schijnt. De ene gaat op teenslippers de wc bevuilen, de ander leegt liefdevol nog steeds de nachtspiegel voor zijn partner. Met ontbloot bovenlichaam en de interlockjes nog half op de knie begint na het ontbijt het kloppen, vegen en smeren. Triatleten observeren elkaar heimelijk, weet Vera. Ze constateert dat fietskleding dit jaar het item is. De broeken met dubbele zeem zijn per dozijn ingekocht en de aftandse shirtjes van vorig jaar zijn vervangen door strakke kleurrijke trendy basic.

 

Eén triatleet maakt elke ochtend ongevraagd de ronde over het kamp, de Franse krant in de aanslag, in een poging om mooi weer boven Briançon te bewerkstelligen. Een tweede verslaggever volgt in zijn kielzog in verband met het moeilijke Franse vocabulaire. Voordat de tocht begint, probeert iemand nog snel even zijn negotie – nu boventallige tandwielen – te slijten. Ook ziet Vera elke morgen een deelnemer als eerste zijn ronde rijden rondom de nederzetting. Hij overziet het geheel en stelt daarna zijn fiets en zichzelf in op het juiste kill-and-attack verzet.

 

De tocht is zwaar. De meeste triatleten die mee fietsen laat Vera ver achter zich. Voor haar is het genieten van de vergezichten. Haar innerlijke landschap meandert van col naar heuveltop. Ze voelt zich verbonden met het asfalt dat haar voortstuwt. Dit is de symbiose van Vera en fiets. Luisterend naar de echo onder haar wielen overbrugt ze met zelfverzekerde tred de afstand naar de top van de col. De fietsers die haar in het vizier proberen te houden, wanen zich op een andere planeet: geen dampkring, geen horizon, afgesneden adem, doorzichtig spierweefsel, holle ogen. Eén fietser doet steevast een greep naar zijn Pillen, zijn stut en steun, zo gauw Vera hem inhaalt. O, wat haat hij de last der jaren. Terwijl Vera op de top verlangt naar een volgend colletje, happen de acolieten naar zuurstof.

Na de tocht mijmert ze voor haar tent met haar wijntje en overziet het geheel. Op het basiskamp worden, onder verbaal geweld en het drinken van cola, de teleurstellingen en onzekerheden analytisch geëvalueerd onder tarp en zonnehoed. De morele druk voor de volgende tocht wordt opgevoerd door het tonen van tattoos en het dragen van T-shirts met in het verleden behaalde resultaten: het baltsgedrag is begonnen. Vera ziet dat de liefde broos is bij het beginnende late liefde stelletje. Het Chinees porselein moet nog voorzichtig worden afgewassen. De groep onder de partytent kookt, fietst of doet niets. Het maakt tortilla’s als culinaire extravaganza. Met terugwerkende kracht voelt Vera vlinders in haar buik wegtrekken, als ze de man van een ander stel ziet lopen op sandalen, waarbij de sokken tot halverwege het onderbeen zijn opgetrokken. Dit zijn mannen die een kruis slaan alvorens zij hun vrouw woordloos neuken, denkt ze.

 

De laatste tocht fietst Maarten mee. Uit liefde. Zijn gehuurde fiets is geprepareerd voor het grote werk. Voor hem ligt enkel de weg te gaan, er valt dus veel te winnen. Op de top wacht het peloton drie kwartier op Maarten, Vera wacht plaatsvervangende schaamte. Zij besluit om zich direct in te schrijven voor de Ironman van Nice. Binnenkort gaat ze de route verkennen. Kan Maarten er achteraan op de Solex.

 

Sterven van geluk.

 

Tekst: Anne Marie Sebens

 

Gisteren kwamen ze binnen. In een stevige, bruine, kartonnen enveloppe, met daarop drie blauwwitte postzegels met Marianne, gericht aan Mme Anne Marie Sebens. Dat staat meteen een stuk eleganter.

 

Nadat ik bij een clubgenoot de muur behangen zag met beelden van zichzelf op de fiets besloot ik uiteindelijk ze te bestellen, die foto’s geschoten op die prachtige berg tijdens die heerlijke jubileum fietsweek 2008. De schroom had me eerder weerhouden. Is het immers niet al te zelfzuchtig, zo naar jezelf te staren? Nu waren ze er dan toch en ik legde alle drie op tafel. En staarde. Naar mijzelf op de fiets, naar dat verbeten hoofd, naar die, ja toch wel, gespierde, de schoonheid al eerder beschreven in het clubblad, kuiten. De rotspartijen met sneeuw achter, de strakblauwe lucht boven me. Nu alle tijd om goed te kijken, tijdens de opname zelf zag ik vooral het asfalt onder me.

 

Een voor een had ik ze zien aankomen, die vrienden van de fietsweek. Onder me kropen ze omhoog, bocht na bocht na bocht kwamen ze dichterbij. De volgorde weet ik niet meer maar ik denk dat Gerard, weer helemaal hersteld, de eerste was. En ik zag de minstens zo mooie kuiten van Janet, de soepele tred van Eveline, al aangekondigd door haar ademhaling (die associaties aan een existentiële strijd oproepen, in contrast met het gemak waarmee ze dan langskomt), ik hoorde de aanmoedigingen: “Bruine benen!”, Harry, “Nog een paar bochten”, Fokke, “Je komt er wel”, Jan, een fluitende Pieter en als laatste Edwin. En zoals ze kwamen verdwenen ze en was ik weer alleen. Met op de i-pod het jubelende ?Heerlijk? van Ramses Shaffey. “Sterven van geluk” stond op het display zag ik later. Sterven deed ik niet. En of het nu kwam door de hoogte, de fladderende violette vlindertjes eerder die dag rond mijn stuur, de uitbundig zingende leeuweriken hoog tegen de blauwe lucht, de fris groene alpenweides vol met gentiaan en nog veel meer onbenoemde bloemen (de ene bioloog rijdt de koninginnerit, de andere voor me), de opmaat van de lunch eerder die week in Italie waarbij in een klein dorp opeens uit alle hoeken en gaten gvav-ers kwamen aanrijden? Hoe dan ook, de euforie overmeesterde mij en ik riep naar de berg tegenover me: “Dit is de gelukkigste dag in mijn leven”,?. “echt waar”.

 

En toen, opeens, zomaar, die muur. De directie had er van verteld maar ik was het vergeten. Ramses had plaats gemaakt voor een Bachcantate: het traag slepende, roerende Weinen, Klagen Sorgen Sagen. Moest ik, terwijl ik al mijn krachten nodig had om op de fiets te blijven zitten, ook nog het bonnetje van de fotograaf aanpakken. Happend naar lucht kwam ik boven.

 

Oscar pakt rustig m’n fiets over met een paar bemoedigende woorden. Veel ruimte is er niet op de pas. Motoren geparkeerd richting afdaling. Ze detoneren het, ja, welk bijvoeglijk naamwoord is hier op zijn plaats, vergezicht. Dus draai ik me om en zie wat ik niet zag tijdens de beklimming. Adembenemend is zwak uitgedrukt. Ik voel de tranen prikken achter mijn zonnebril, voeg me bij de rest en kan nog net uitbrengen: “Wat is het hier mooi”, wat breekt in een snik waarop ik mij in de armen een der directieleden laat vallen.

 

“Je was wel emotioneel hé?” Harry weer, maar dan terug in Nederland tijdens een looptraining. “Ja Har”, maar is het nodig om me daar aan te herinneren? Ach wat maakt het uit. Afzien, emoties, kwetsbaarheid het kan allemaal, bij die vrienden van de fietsweek.

 

Waar ga ik ze ophangen, de foto’s? Op mijn werk? Is dagelijks herinnerd te worden aan zoveel geluk niet al te overdreven? Boeddha leerde me al eerder dat de weg het doel, de top daar enkel een onderdeel van is. Daar heb ik geen geheugensteun voor nodig. Ik leg ze voorlopig in de kast. Nu eerst een stukje schrijven over de fietsweek voor Frits.